Special: de auto
Nu het menens wordt met het milieu, en de brandstofkosten echt de pan uit rijzen, komt de auto meer en meer in het brandpunt van de belangstelling te staan. Ook voor de overheid, die tal van maatregelen heeft bedacht om zuiniger en schoner rijden te stimuleren.
In deze nieuwsbrief special zetten we alle regelingen voor u op een rijtje, mét tips en trucs om de kosten zo laag mogelijk te houden. In het kort komt het erop neer dat een zuinige auto minstens drie voordelen biedt, naast de dienst die u het milieu bewijst: minder brandstofkosten, minder bpm en een lagere bijtelling.
Belasting op auto's en motoren - bpm
Bpm en energielabels
Bij de kentekenregistratie van een auto wordt 'belasting van personenauto's en motorrijwielen' geheven, kortweg 'bpm', die kan oplopen tot bijna 45% van de netto catalogusprijs. Om het gebruik van zuinige auto's te bevorderen is de bpm al vanaf 1 juli 2006 afhankelijk gemaakt van het brandstofverbruik.
Er wordt gewerkt met een bonus/malus-systeem, bestaande uit kortingen voor zuinige auto's (energielabel A en B) en toeslagen voor onzuinige auto's (energielabel D t/m G). Energielabel C is een neutrale tussencategorie, zonder bonus of malus. Voor hybride auto's (met energielabels A en B) gelden extra hoge kortingen.
Voor zuinige auto's op benzine of diesel kan de korting oplopen tot EUR 1.400 (energielabel A). Voor onzuinige auto's kan de toeslag oplopen tot EUR 1.600 (energielabel G). De genoemde bedragen gelden vanaf 1 februari 2008.
Bij auto's met hybride aandrijving -- dus benzine én stroom -- is de korting op de bpm extra hoog als het piekvermogen van de elektromotor minstens 15% van dat van de verbrandingsmotor bedraagt. Voor hybride auto's met energielabel A is de korting van 1 februari 2008 tot 1 juli 2010 EUR 6.400 (tot 1 februari 2008 was dat EUR 6.000); voor energielabel B bedraagt de korting EUR 3.200 (tot 1 februari 2008 EUR 3.000,-).
Slurptax
Per 1 februari 2008 is voor benzine- en dieselauto's met een hoge CO2 uitstoot een toeslag op de bpm ingevoerd. De toeslag staat inmiddels bekend als de slurptax. Bij benzineauto's wordt per extra gram CO2-uitstoot boven 232 g/km EUR 110 geheven; bij dieselauto's ligt de grens op 192 g/km. Deze grenzen gaan vanaf 1 januari 2010 omlaag naar 222 g/km respectievelijk 184 g/km.
Fijnstoftax
Voor dieselauto's bestond al een bpm-korting van EUR 600 bij een roetuitstoot van minder dan 5 mg/km. Maar vanaf 1 april 2008 is er een andere regeling ingevoerd, namelijk de fijnstofdifferentiatie (fijnstoftax). Is de fijnstofuitstoot nihil, dan geldt een korting van EUR 900, die voor elke mg roetuitstoot per kilometer EUR 200 lager wordt. Bij een uitstoot van 5 mg geldt een toeslag van EUR 100.; elke mg daarboven levert een extra toeslag op van EUR 200. De fijnstofdifferentiatie in de bpm geldt overigens niet voor op 1 april 2008 reeds in gebruik genomen personenauto's.
Auto's met onbekende roetuitstoot worden geacht de maximumuitstoot te hebben, tenzij de eigenaar kan aantonen dat de uitstoot geringer is. Daarbij is het gewicht van de auto het criterium:
- auto's lichter dan 1.500 kg: roetuitstoot 25 mg/km;
- auto's van 1500 tot en met 2000 kg: roetuitstoot 40 mg/km;
- auto's zwaarder dan 2.000 kg: roetuitstoot 60 mg/km of meer.
Zakelijke bestelauto's vrijgesteld van bpm
Sinds 1 juli 2005 is ook bij bestelauto's bpm verschuldigd, tenzij de bestelauto zakelijk wordt gebruikt. Ondernemers die belastingplichtig zijn voor de omzetbelasting zijn vrijgesteld van bpm als ze de bestelauto 'meer dan bijkomstig' (voor meer dan 10%) gebruiken in de onderneming. Dat geldt ook als de bestelauto tot de handelsvoorraad behoort. De vrijstelling is van kracht vanaf de eerste ingebruikname voor een aaneengesloten periode van (maximaal) vijf jaar. Voldoet het gebruik binnen een periode van vijf jaar niet meer aan de regels, dan is alsnog het restant bpm-bedrag verschuldigd.
Accessoires later inbouwen
Accessoires die niet zijn geïnstalleerd door de fabrikant of importeur maar door de dealer, tellen sinds 1 juli 2006 niet meer mee bij de bpm-heffing voor auto's die op of na die datum te naam worden gesteld. Door de dealer gemonteerde accessoires tellen ook niet mee bij de grondslag voor de 25%-bijtelling in de loonbelasting voor de auto van de zaak. Het is daarom raadzaam om de fabrikant of importeur een sobere uitvoering te laten leveren en dure accessoires zoals een trekhaak pas later te laten inbouwen door de dealer.
Bijtelling in de loonsfeer
Bijtelling voor privégebruik
Bij werknemers met 'een auto van de zaak' moet in principe 25% van de cataloguswaarde bij het loon worden geteld (indien per kalenderjaar meer
dan 500 privékilometers worden gereden). Het gaat daarbij om zowel personenauto's als bestelauto's (voor zover die ter beschikking staan van de werknemer) en onder 'de cataloguswaarde' wordt verstaan: de catalogusprijs inclusief btw en inclusief bpm.
Lagere bijtelling voor zeer zuinige auto's
Voor zeer zuinige auto's is de bijtelling niet 25% maar 14% van de cataloguswaarde. Bij een belastingtarief van 52% en een cataloguswaarde van EUR 25.000 levert dat vergeleken met een auto met normaal verbruik een belastingvoordeel op van ruim EUR 1400 per jaar.
Een auto geldt als 'zeer zuinig' bij een CO2-uitstoot van maximaal 95 g/km bij een dieselmotor, en 110 g/km bij de overige motoren. Een veel voorkomend misverstand hierbij is dat er naar het energielabel (zie het onderdeel bpm) zou worden gekeken. In dit geval gaat het echter alleen om de CO2-uitstoot.
De enige dieselauto die op dit moment in deze categorie valt, is de Smart CDI (88 g/km).
Bij de benzine- en hybride auto's is de keus groter:
- Citroën C1 (109 g/km);
- Daihatsu Cuore (104 g/km);
- Honda Civic 1.3 Dsi i-VTEC Hybrid (109 g/km);
- Peugeot 107 (109 g/km);
- Smart Fortwo coupé Micro Hybrid Drive (103 g/km);
- Smart Fortwo cabrio Micro Hybrid Drive (105 g/km);
- Toyota Aygo (109 g/km);
- Toyota Prius THSD (104 g/km).
Andere auto? Tijdig doorgeven!
Als een werknemer halverwege het jaar zijn auto van de zaak inruilt voor een nieuwe (meestal duurdere) auto, moet de 25% vanaf dat moment bijtelling plaatsvinden op basis van de catalogusprijs van de nieuwe auto. Vergeet niet om dit te (laten) verwerken in de loonadministratie, want anders zal de fiscus een naheffing opleggen, eventueel verhoogd met een boete. Tegenwoordig kan dit niet meer rechtgetrokken worden bij de aangifte inkomstenbelasting.
Verklaring geen privégebruik
Sinds 1 januari 2006 moet de werkgever loonbelasting inhouden voor het privégebruik bij een auto van de zaak. (Vóór die datum liep dit via de aangifte inkomstenbelasting.) Dit hoeft echter niet wanneer een werknemer in een jaar 500 kilometer of minder privé rijdt en een 'verklaring geen privé-gebruik' van de fiscus inlevert bij zijn werkgever. Dan vervalt de bijtelling.
Blijkt een werknemer achteraf toch meer dan 500 kilometer privé te hebben gereden, dan gaat de naheffingsaanslag (plus boete) rechtstreeks naar de werknemer. Voorwaarde is wel dat de werkgever geen reden had om te twijfelen aan het geringe privé-gebruik, bijvoorbeeld dat de werkgever niet wist dat zijn werknemer met de auto op vakantie zou gaan. Hierover bestaat echter nog geen rechtspraak. Wist de werkgever wél dat zijn werknemer meer dan 500 km privé zou rijden, dan volgt een naheffing loonbelasting. Vervolgens zou die verhaald kunnen worden op de werknemer.
Bijtelling bij autodealers
Voor werknemers van autodealers met een auto van de zaak, bestaat een aparte regeling. Omdat deze werknemers vaak in verschillende auto's rijden, is het ondoenlijk om de catalogusprijs voor de bijtelling te berekenen. De fiscus heeft daarom per merk vaste catalogusprijzen vastgesteld, verdeeld over vijf salarisklassen van het personeel. Daardoor krijgt een directeur-grootaandeelhouder bijvoorbeeld een hogere bijtelling dan een junior salesmanager.
Werknemers van dealers zijn niet verplicht om gebruik te maken van deze regeling. Wie in een goedkopere auto rijdt dan de tabel voorspelt, mag bijtellen op basis van het feitelijke gebruik.
De dealerregeling 2007 (verlengd in 2008) is onder andere te downloaden via www.belastingdienst.nl/download/1369.html.
Bijtelling verlagen met rittenadministratie
Om de bijtelling van 25% te voorkomen kan een rittenadministratie worden bijgehouden. Deze moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten:
- het merk, het type en het kenteken van de auto;
- de periode waarover de auto ter beschikking heeft gestaan;
- voor elke rit de datum plus de begin- en eindstanden van de teller;
- het adres van vertrek en het adres van bestemming;
- een routebeschrijving (als de route afwijkt van datgene wat gebruikelijk is);
- de aard van de rit (zakelijk of privé).
De bewijslast voor de mate van privégebruik ligt bij de belastingplichtige. De fiscus accepteert onderstaande vormen van bewijs:
- de werknemer kan een sluitende rittenadministratie bijhouden door bij zijn agenda kopieën te bewaren van de maandstaten (met de vereiste informatie) die hij bij zijn werkgever inlevert;
- de werkgever en de werknemer kunnen schriftelijk overeenkomen dat privégebruik niet is toegestaan, en dat de werkgever betrouwbare controle uitoefent op het autogebruik. Bijvoorbeeld door black-box registraties, werkroosters, vakantie-overzichten, ziekte- en verlofstaten, garage-nota's, schaderapporten en bekeuringen. Een model voor zo'n overeenkomst is te vinden op www.minfin.nl.
De volgende vormen van 'bewijs' zijn onvoldoende:
- als de werkgever en de werknemer een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten dat privé-gebruik van de bestelauto verboden is, zonder afdoende controle daarop. Het noemen van sancties op privé-gebruik is onvoldoende;
- als een werknemer een gespecificeerde schatting geeft van het zakelijk gebruik en het woon-werkverkeer.
Als de werkgever en de werknemer één persoon zijn, zoals bij de meeste DGA's, zal de inspecteur een deugdelijke rittenadministratie eisen. Soms kan zo'n rittenadministratie na overleg met de inspecteur achterwege blijven, bijvoorbeeld als maar één lid van het ondernemersgezin een rijbewijs heeft en er bovendien een andere auto voor de deur staat die veel geschikter is voor privégebruik dan de bedrijfsauto.
Gedeelde bijtelling voor partners
Als twee partners in dezelfde onderneming werken en beiden gebruik kunnen maken van dezelfde auto en beiden een functie hebben die een auto van de zaak rechtvaardigt, mag de bijtelling worden verdeeld over de partners, naar rato van het gebruik. Dat kan op basis van het feitelijk gereden aantal kilometers of op basis van het aantal dagen dat de auto beschikbaar is voor de gebruiker. Verdelen van de bijtelling kan fiscaal voordeel opleveren als de partners in verschillende schijven vallen.
500 Kilometer geldt per jaar (dus niet per auto)
De 500 kilometergrens bij een auto van de zaak geldt per persoon per kalenderjaar. Of er gedurende het jaar van auto wordt gewisseld, doet er niet toe.
Neem het volgende geval. Iemand rijdt 11 maanden per jaar uitsluitend zakelijke ritten (minder dan 500 km privégebruik) in een Toyota Prius. Die is lekker zuinig, maar heeft helaas niet voldoende trekkracht om een zware caravan de Alpen over te trekken. Voor de vakantie ruilt de werknemer zijn Prius dus tijdelijk in voor een andere auto met wat meer pit. (Sommige lease-maatschappijen bieden die faciliteit). Mocht er geen inhouding hebben plaatsgevonden, dan zal de fiscus alsnog een naheffing (plus boete) opleggen, aangezien er dat jaar in totaal toch meer dan 500 kilometer privé is gereden.
Eindheffing voor bestelauto's voorkomt probleem
Omdat bestelauto's vaak door verschillende werknemers worden gebruikt, kan een werknemer meestal niet met een kilometeradministratie aantonen dat hij privé geen gebruik maakt van de auto. De werkgever kan dit probleem oplossen door te kiezen voor een eindheffing van EUR 300 per bestelauto en deze zelf te betalen. Dat behoedt de werknemer voor een bijtelling wegens privégebruik.
Geen bijtelling bij verbod privégebruik bestelauto
Werknemers krijgen geen bijtelling voor privégebruik als een bestelauto na werktijd niet beschikbaar is, bijvoorbeeld omdat alle bestelauto's achter slot en grendel gaan op het bedrijfsterrein.
De bijtelling is eveneens niet nodig als de werkgever in de loonadministratie een verklaring bewaart waarin staat dat privégebruik verboden is. De werkgever moet wel toezicht houden op naleving van het verbod en een sanctie opleggen bij overtreding ervan.
Btw
Btw op bijtelling
Wanneer een werknemer zijn auto van de zaak ook privé gebruikt, moet de werkgever in principe een bijtelling toepassen van 12% x 25% x de catalogusprijs.
Op deze formule zijn drie uitzonderingen:
- voor zeer zuinige auto's geldt: 12% x 14% x catalogusprijs (dus lagere bijtelling en lagere correctie);
- voor zogenoemde ambulante werknemers geldt 12% x 20% x catalogusprijs;
- rijdt de werknemer minder dan 500 km privé (zuinig of niet zuinig doet niet ter zake), maar gebruikt hij de auto wel voor woon-werkverkeer, dan is de bijtelling 12% x 10% x catalogusprijs.
Als er bij de aankoop van de auto geen btw over de aanschafprijs is berekend, moet aan de hand van de bedrijfsadministratie worden vastgesteld hoeveel btw er afgetrokken kan worden. Kan de kilometeradministratie geen uitsluitsel geven over het aantal privé gereden kilometers, dan mag 75% van de kilometers als zakelijk worden bestempeld.
Buitenlandse btw terugvragen
Heeft u in het buitenland kosten gemaakt voor uw (zakelijke) auto, dan kunt u de daar geheven btw terugvragen bij de bevoegde buitenlandse
belastingdienst (vanaf 2010 kunt u de buitenlandse btw terugvragen bij de eigen belastingdienst).
Voor teruggave van buitenlandse btw gelden de volgende voorwaarden:
- het moet gebeuren vóór 1 juli van het volgende jaar;
- het verzoek moet betrekking hebben op minstens één kwartaal en hoogstens één kalenderjaar (minder dan een kwartaal is toegestaan als het gaat om het resterende deel van een kalenderjaar);
- er gelden minimumbedragen.
Aftrekbeperking in de IB-sfeer
Etikettering auto voor de inkomstenbelasting
Een IB-ondernemer die zijn auto zakelijk én privé gebruikt, kan deze voor de inkomstenbelasting aanmerken als ondernemingsvermogen of als privévermogen. In het laatste geval mag voor elke zakelijke kilometer 19 cent worden afgetrokken van de winst uit onderneming.
Tot de zakelijke reizen behoren ook de ritten tussen de woning en het werkadres. Uw belastingadviseur kan becijferen welke keuze in specifieke gevallen fiscaal het gunstigst is.
Wat voor auto mag u rijden?
In principe mag de fiscus zich niet bemoeien met uw auto-keuze. Dat is een bedrijfs-economische afweging en geen fiscale. Wanneer u het voor het kiezen heeft, met name wanneer u ondernemer bent, mag u dus zelf uitmaken of u in een Rolls Royce Phantom dan wel een Fiat Panda wilt rijden, zolang maar duidelijk is dat de auto dienstbaar is aan de onderneming.
Dat dienstbaarheidprincipe werd evident geschonden bij een advocatenkantoor met één dga, dat er een wagenpark van 41 (!) luxe auto's op nahield. De advocaat meende de kosten van alle auto's te kunnen aftrekken omdat hij ze alle 41 zakelijk zou gebruiken. Het Hof Amsterdam oordeelde echter dat de man zijn bv gebruikte om zijn hobby te financieren en wilde hooguit 2 van de 41 auto's als zakelijk aanmerken.
Diversen
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek voor bestelauto
Als u een auto wilt aanschaffen voor uw onderneming, kan het aantrekkelijk zijn om een bestelauto te kiezen in plaats van een gewone personenauto. Bestelauto's vallen namelijk onder de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Dat betekent dat u in aanmerking komt voor een extra aftrek van maximaal 25% van de aankoopprijs.
Houd er wel rekening mee dat bij verkoop van de bestelauto binnen 5 jaar een desinvesteringsbijtelling moet volgen.
Fiscus flitst privégebruik
De fiscus houdt mobiele controles voor onterecht privégebruik van auto's die aangemerkt zijn voor 'uitsluitend zakelijk gebruik' (geen bijtelling). De controles worden gehouden bij typische privélocaties als festivals, bouwmarkten, woonboulevards, en grensovergangen in vakantieperiodes.
Er wordt gebruik gemaakt van camera's die gekoppeld zijn aan een systeem dat nummerplaten scant en herkent. Deze gegevens worden vergeleken met de verklaringen 'geen privé-gebruik auto van de zaak' (minder dan 501 privékilometers per jaar) in de computers van de belastingdienst.
Wie gesnapt wordt, krijgt eerst een brief met een verzoek tot opheldering. Het zou immers best kunnen zijn dat iemand de catering van het festival verzorgde, of als bouwvakker naar een bouwmarkt ging. Als het antwoord onbevredigend is, volgt een naheffing en eventueel een boete.
Voelt u de bui al hangen, dan kunt u alsnog aangeven dat u meer dan 500 km per jaar privé rijdt, met het formulier 'Intrekking verklaring geen privé-gebruik auto van de zaak'. U kunt dit formulier downloaden op www.belastingdienst.nl. Tienduizenden gingen u al voor...
Kostenvergoeding voor rijles
Werkgevers mogen hun werknemers géén onbelaste vergoeding geven voor de kosten die verbonden zijn aan het behalen van het standaardrijbewijs B (auto zonder aanhangwagen). De fiscus beschouwt dit gewoon als loon, omdat een werknemer ook privé baat heeft bij zo'n rijbewijs.
Wel mag de werkgever onbelast de kosten vergoeden die een werknemer maakt voor het behalen van de rijbewijzen C (vrachtauto), D (bus) en E (rijden met aanhangwagen), als de functie dat vereist.
Regeling kilometervergoeding
De fiscus heeft de regels voor woon-werkverkeer met de auto van de zaak sinds 2004 sterk vereenvoudigd, bijvoorbeeld door het opheffen van het onderscheid tussen personenauto's en bestelauto's. Feitelijk doet het er niet meer toe hoe werknemers hun zakelijke of woon-werkkilometers afleggen. Voor de fiscus is niet relevant of dit wandelend of per fiets, openbaar vervoer of auto gebeurt. In alle gevallen mag u 19 cent per kilometer belastingvrij vergoeden, zolang u maar aannemelijk kunt maken dat de werknemer de reis heeft gemaakt.
Sommige werkgevers werken liever met een vaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. Daarvoor bestaat een regeling waarbij de vaste onbelaste vergoeding wordt berekend op basis van het aantal reguliere werkdagen per jaar (260), verminderd met vakantie- en ziektedagen (vastgesteld op 54 dagen). Het resterende aantal van 206 dagen wordt vermenigvuldigd met het aantal gereden kilometers (tweemaal de enkele reisafstand van de woning naar het werk) en een kilometervergoeding van 19 cent.
Deze regeling geldt voor afstanden tot maximaal 150 km (heen plus terug) per dag. Deze praktische regeling kan ook worden toegepast bij reisafstanden van (heen en terug) meer dan 150 kilometer, maar dan is nacalculatie van het werkelijke aantal kilometers (door de werkgever) verplicht. Als de vergoeding bij nacalculatie deels bovenmatig blijkt, moet de werkgever het bovenmatige bij het loon tellen of de werknemer moet dat bedrag terugbetalen.
Vergoedingen bij vakanties
Werkgevers mogen een belastingvrije vergoeding geven voor kosten die hun werknemers maken met een auto van de zaak in de vakantie. Behalve voor brandstofkosten geldt dit ook voor kosten van tolwegen, veerboten, winterbanden en parkeren.
Of de werkgever bereid is om deze kosten voor zijn rekening te nemen, is een andere kwestie. Is dat niet het geval, dan kunnen werkgever en werknemer afspreken dat de werkgever de declaratie van zijn werknemer wel betaalt, maar dat de werknemer het bedrag weer terugbetaalt als eigen bijdrage voor privégebruik. Deze eigen bijdrage kan dan in mindering worden gebracht op de bijtelling voor de auto van de zaak. Dat kan bij een declaratie van EUR 500 een voordeel opleveren van ruim EUR 250, terwijl het de werkgever niets kost. Wel verhoogt het de administratieve last van de werkgever.
Bpm en motorrijtuigenbelasting gaan verdwijnen
De staatssecretaris van financiën wil de motorrijtuigenbelasting (mrb), de belasting voor personenauto's en motorrijwielen voor personenauto's (bpm) en de belasting zware motorrijtuigen afschaffen. Dat schreef hij in een brief aan de Tweede Kamer.
De bpm zou gefaseerd moeten worden afgebouwd tot nul per 1 januari 2018. Deze gefaseerde afbouw is deels al in gang gezet via de 'vluchtheuvelvariant' waar het kabinet in 2008 mee is begonnen, waarbij de bpm in stappen van 5% wordt afgebouwd tot 75% van het niveau van 2007. Vanaf 2013 volgen stappen van jaarlijks 12,5% voor de afbouw van de resterende bpm tot nul.
De derving van bpm-opbrengst moet worden opgevangen door de motorrijtuigenbelasting voor personenauto's die nog niet onder het regime van de kilometerbeprijzing zijn ondergebracht, en door de opbrengsten van voertuigen die al wel onder dat regime vallen.
De mrb wordt afgeschaft in de periode waarin de personenauto's ingroeien in het regime van de kilometerbeprijzing. Zodra de personenauto overgaat naar de kilometerbeprijzing, wordt de mrb voor dat voertuig beëindigd.
De staatssecretaris onderzoekt ook de mogelijkheid van de invoering van een lagere lease-bijtelling voor (redelijk) zuinige benzineauto's die nu niet in aanmerking komen voor de lage 14%-bijtelling. Er zou dan een tussencategorie komen van bijvoorbeeld 20% naast de huidige categorieën van 14% en 25%.
Snelheidsboetes niet meer voor werkgever
Wie moet of mag er opdraaien voor bescheiden snelheidsboetes, waarbij iemand met een auto van de zaak minder dan 10 km te hard heeft gereden? De werknemer die de overtreding heeft begaan, of de werkgever op wiens naam het kenteken staat?
Na een uitspraak van het Hof Den Haag in 2006 leek het erop dat de werkgever moest (of mocht) betalen, maar inmiddels hebben we een uitspraak van de Hoge Raad die de verantwoordelijkheid tóch volledig bij de werknemer legt. Een belangrijk argument was dat er anders rechtsongelijkheid zou ontstaan tussen werknemers met een auto van de zaak en werknemers met een eigen auto.
Als de werkgever tóch betaalt, moet de boete bij het loon
van de werknemer worden opgeteld.
|